Bij overlijden van de koning(in) of afstand van het koningschap (abdicatie), wordt de opvolger (als die er is) koning. Dit brengt met zich mee dat hij en andere leden van het Koninklijk Huis jaarlijks aanwezig zijn bij vele openingsbijeenkomsten, vieringen, herdenkingsplechtigheden en andere officiële evenementen. Gedurende de kabinetsformatie wordt koning bet casino NL de Koning vanwege zijn grondwettelijke functie als staatshoofd en lid van de regering geïnformeerd over de gang van zaken. Als staatshoofd legt de Koning (staats)bezoeken af, ontvangt hij staatshoofden, andere hoogwaardigheidsbekleders en nieuwe ambassadeurs, beëdigt diverse functionarissen en symboliseert hij de eenheid van de staat. In die gevallen krijgt de prins-gemaal de aanspreektitel Prins der Nederlanden.

Koning Willem-Alexander

Bij verlies van lidmaatschap van het Koninklijk Huis verliest men het recht op een koninklijke toelage alsmede de titels Prins der Nederlanden en/of Prins van Oranje-Nassau. De overige leden van het Koninklijk Huis hebben alleen recht op vergoedingen voor gemaakte kosten wegens hun koninklijke verplichtingen. Zo krijgen het hoofd van het Koninklijk Huis (de koningin), de eerste in de lijn van opvolging (de prinses van Oranje) vanaf de 18-jarige leeftijd, en de voormalige koning een uitkering als inkomen en vergoeding van niet-declarabele kosten. Het Koninklijk Huis is in het Koninkrijk der Nederlanden dat deel van de koninklijke familie dat gerechtigd is tot de troon én onder de ministeriële verantwoordelijkheid valt. In de grondwet is ook opgenomen dat de koning wordt ingehuldigd. De Kroon is opgedragen aan de nakomelingen van koning Willem I, prins van Oranje-Nassau.

Na het overlijden van zijn vader volgde hij hem op als koning der Nederlanden. Na de troonsafstand van zijn grootvader koning Willem I in 1840 werd hij de prins van Oranje. De graaf en gravinnen Claus-Casimir, Eloise en Leonore van Oranje-Nassau van Amsberg (kinderen van prins Constantijn en prinses Laurentien) zijn wel erfopvolgers, maar geen lid van het Koninklijk Huis, aangezien ze een verwantschap in de derde graad hebben met de koning. Leden van het Koninklijk Huis zijn zij die krachtens de Grondwet de koning kunnen opvolgen en aan hem verwant zijn in de eerste of tweede graad van bloedverwantschap, alsmede het staatshoofd dat afstand van het koningschap heeft gedaan.

Hoewel koning Willem II als kroonprins zelf minister was geweest, hield hij zijn eigen oudste zoon buiten de besluitvorming. In juni 1836 vroeg Salomon Dedel in naam van koning Willem I, ten behoeve van diens kleinzoon Willem, officieel om haar hand, maar zij wees een huwelijk met Willem af. ‘En nadat deze de akademie verlaten had, gevraagd te worden om een bijles te geven aan den tweeden prins Alexander, ware mij onaangenaam ja krenkend.’ ‘De erfprins zal zijne studien nu spoedig voleindigd hebben’, schreef hij in februari 1836 aan zijn collega hoogleraar C.J.

De moeder, prinses Helena van Nassau, stelde twee van haar dochters voor. De eerste die gevraagd werd was de 25-jarige Deense prinses Thyra, maar die was al vergeven. Het voornemen leidde tot heftige conflicten met het kabinet, en de koning zag uiteindelijk van het huwelijk af. Op 17 september dat jaar gaf Willem de opdracht om daarvoor de mogelijkheden uit te zoeken.

Prins van Oranje

In een brief aan haar schoonvader, geschreven in de nazomer of herfst van dat jaar, hield ze hem voor dat ze door haar echtgenoot bedreigd en mishandeld werd. Hij liet zich alsnog overreden het koningschap te aanvaarden. Hij vernam pas van het overlijden van zijn vader, toen die al een dag dood was. Zijn vader trachtte hem van zijn ongelijk te overtuigen, onder meer door hem erop te wijzen dat het koningschap een “goddelijke roeping” is, die hij niet kon weigeren. Hij gaf als kroonprins aan de nieuwe grondwet van 1848 niet te accepteren.

Luxemburgse kwestie

De ministers van Financiën, Van Bosse, en Binnenlandse Zaken, Van Tets van Goudriaan, boden daarop hun ontslag aan. Willem wees er de ministerraad op dat hij niet kon terugkomen van zijn belofte aan Amsterdam en bewerkstelligde, door Eerste Kamerleden onder druk te zetten, dat de Senaat de spoorwegwet afwees. Het wetsvoorstel over het kanaal werd echter door de Tweede Kamer aangehouden, terwijl dat over de spoorwegwet wel werd aangenomen. De Tweede Kamer ging daarin mee en verhoogde de uitgaven met vier miljoen gulden. Mijer wilde er eigenlijk niets van weten, maar bezweek onder de aanhoudende druk. Hij drong er bij Willem op aan om de verordening voor zich te houden.

Deze titels zijn bij wet aan het lidmaatschap van het Koninklijk Huis verbonden. Daarnaast zijn ook de afgetreden monarch en de echtgenoten van bovengenoemde personen leden van het Koninklijk Huis. “Ik zweer (beloof) aan de volkeren van het Koninkrijk dat Ik het Statuut voor het Koninkrijk en de Grondwet steeds zal onderhouden en handhaven. Wanneer het vooruitzicht bestaat dat een erfopvolger zal ontbreken, kan een opvolger bij wet worden benoemd. In hoofdstuk 2 van de Nederlandse Grondwet is de erfopvolging van de koning geregeld. Als er geen opvolger is, wordt een nieuwe koning benoemd door de Staten-Generaal.

Met zijn vader reisde Willem december 1833 naar Berlijn en Sint-Petersburg. Wel is hij met zijn vader en broer Alexander enige tijd bij het leger te velde geweest. Deze waren allemaal beroepsofficier en de opvoeding die ze de prinsen gaven, droeg een duidelijk militair stempel. Hij kreeg met zijn beide jongere broers thuis privéonderwijs onder toezicht van gouverneurs Thierry Juste de Constant Rebecque de Villars (tot 1834), Daniël Otto Bagelaar en Anne Rigot de Begnins.